Werkgever moet ‘slapend dienstverband’ verplicht beëindigen en transitievergoeding betalen

Moet een werkgever op grond van ‘goed werkgeverschap’ instemmen met het voorstel van zijn langdurig arbeidsongeschikte werknemer om diens ‘slapende dienstverband’ te beëindigen, onder toekenning van een transitievergoeding? Het antwoord van de Hoge Raad op de hierover gestelde prejudiciële vragen, luidt ‘ja’.

‘slapend dienstverband’
Een ‘slapend dienstverband’ is een door de werkgever bewust in stand gehouden dienstverband om maar geen transitievergoeding te hoeven betalen bij ontslag, ondanks dat de langdurig arbeidsongeschikte werknemer geen loon meer ontvangt.

Prejudiciële vragen
Rechtbank Limburg heeft in april van dit jaar prejudiciële vragen gesteld over een ‘slapend dienstverband’, want moet een werkgever als ‘goed werkgever’ akkoord gaan met het voorstel van zijn langdurig arbeidsongeschikte werknemer tot beëindiging van het dienstverband onder betaling van een transitievergoeding?

Verplicht beëindigen
Volgens de Hoge Raad brengt de eis van ‘goed werkgeverschap’ met zich mee dat een werkgever een werknemer niet in een ‘slapend dienstverband’ mag houden, om de betaling van de transitievergoeding te ontlopen. Tenzij de werkgever gerechtvaardigde belangen heeft om de arbeidsongeschikte werknemer toch in dienst te houden (zoals een reëel uitzicht op re-integratie), is hij verplicht het ‘slapende dienstverband’ te beëindigen en de wettelijke transitievergoeding te betalen.

Compensatievergoeding
Het argument dat de betaling van de transitievergoeding aan een langdurig arbeidsongeschikte werknemer de werkgever op hoge kosten jaagt, gaat niet meer op. Vanaf 1 april 2020 kunnen werkgevers compensatie aanvragen voor de transitievergoeding die zij moeten betalen als zij een werknemer ontslaan wegens langdurige arbeidsongeschiktheid.

 

Hoge Raad, 8 november 2019, nr. 19/01873

Houd rekening met de verlaging van de zelfstandigenaftrek en de tariefmaatregel

Op Prinsjesdag is voorgesteld om de zelfstandigenaftrek geleidelijk te verlagen. Vorig jaar is daarnaast ook al het voorstel aangenomen om het tarief waartegen de ondernemersaftrek aftrekbaar is jaarlijks te verlagen.

Laat daarom beoordelen wat de financiële gevolgen zijn voor u. Op Prinsjesdag is voorgesteld om de zelfstandigenaftrek geleidelijk in 9 jaarlijkse stappen te verlagen van € 7.280 (2019) naar € 5.000 (2028). Daarnaast is vorige jaar al aangenomen dat met ingang van 2020 het tarief waartegen de ondernemersaftrek in aftrek kan worden gebracht in 4 jaarlijkse stappen wordt beperkt tot 37,05% (in 2023). Door deze maatregelen neemt de effectieve belastingdruk toe. U gaat hierdoor meer belasting betalen. U dient hier in uw inkomensplanning rekening mee te houden.

De verlaging van de zelfstandigenaftrek en de tariefmaatregel geven misschien aanleiding om keuzes, waaronder de rechtsvormkeuze, te heroverwegen. Door de verlaging van de zelfstandigenaftrek en de tariefmaatregel kan het bijvoorbeeld zijn dat de rechtsvorm BV voor u fiscaal voordeliger is.

Neemt u gerust contact met ons op als u hierover vragen heeft. Wij helpen u graag. U bereikt ons via [email protected] of 036-7370376.

Elektrische auto: hoe zit het met de bijtelling?

Als u een elektrische auto van de zaak heeft of overweegt om zo’n auto te kopen, wilt u weten welke bijtelling hiervoor geldt. Het antwoord daarop is afhankelijk van verschillende factoren.

De bijtellingsregels kunnen erg ingewikkeld zijn. Voor een (nieuwe) elektrische auto, krijgt u nu nog een korting op de bijtelling. Volgens de plannen op Prinsjesdag blijft dit ook zo in de komende jaren. Maar de korting wordt wel minder en is afhankelijk van hoe oud uw auto is.

Zo kan nu voor elektrische auto’s met een eerste toelating tot en met 2016, een bijtelling van 4% of 7% gelden. De bijtelling van 7% geldt overigens over de eerste € 50.000 cataloguswaarde, daarboven is de bijtelling 25%.

Is uw elektrische auto voor het eerst toegelaten in 2017 of 2018, dan heeft u voor 60 maanden een bijtelling van 4%. Voor auto’s met eerste toelating in 2019 bedraagt de bijtelling 4% over de eerste € 50.000 cataloguswaarde, daarboven is de bijtelling 22%. Om het nog ingewikkelder te maken wordt de bijtelling voor nieuwe auto’s vanaf 2020 8% over de eerste € 45.000 en daarboven 22%. Is de auto uit 2021, dan wordt de bijtelling al weer hoger.

Laat daarom beoordelen wanneer uw huidige bijtelling eindigt en met welke bijtelling u vanaf dan rekening moet houden. U kunt daarbij ook laten beoordelen wat de gevolgen van de aanschaf van een andere elektrische auto voor u zijn. Misschien kunt u daarbij nog gebruikmaken van aantrekkelijke fiscale regelingen zoals de milieu-investeringaftrek.

Neem gerust contact met ons op als u hierover vragen heeft. Wij helpen u graag. U bereikt ons via [email protected] of 036-7370376.

Wat is het forfaitaire rendement van box 3 op spaartegoeden en op beleggingen in 2019?

Het forfaitaire rendement wordt sinds 2017 gebaseerd op de landelijk gemiddelde verdeling van het box 3-vermogen over spaargeld en beleggingen. In 2019 is het forfaitair rendement op spaartegoeden 0,13% en op beleggingen 5,60%.

Tabel belasting op vermogen in box 3 van de inkomstenbelasting 2019

schijf

vermogen in box 3 (grondslag sparen en beleggen)

forfaitair rendement

forfaitair rendement

30% belasting

0,13%

5,60%

effectief

0

eerste € 30.360

heffingvrij

heffingvrij

0,00%

1

boven vrijstelling vanaf € 1 t/m € 71.650

67%

33%

0,582%

2

van € 71.650 t/m € 989.736

21%

79%

1,335%

3

vanaf € 989.736

0%

100%

1,68%

Fiscaal partners kunnen ieder afzonderlijk gebruik maken van de tariefschijven. Daardoor begint het hoogste tarief van 1,68% pas te lopen vanaf € 2.040.192 (2 x € 1.020.096). Dat geldt ook voor het heffingsvrije vermogen dat daardoor voor partners uitkomt op € 60.720 (2 x € 30.360).

 

AOV (beslist) niet de enige optie

Als u een zelfstandige zonder personeel (zzp’er) bent, valt u niet onder de werknemersverzekeringen. In Nederland zijn er inmiddels al meer dan anderhalf miljoen zzp’ers van wie het merendeel zich echter niet heeft verzekerd voor arbeidsongeschiktheid, terwijl voor 60% van hen de werkzaamhedenuit hun onderneming het hoofdinkomen vormen. Het aantal verzekerden voor deze groep bedraagt volgens het CBS in 2016 slechts 19%. Het risico van arbeidsongeschiktheid door ziekte en/of ongeval is voor een zzp’er echter net zo groot als voor ieder ander. Bij arbeidsongeschiktheid krijgt u niet alleen te maken met een forse inkomensachteruitgang, maar veelal ook met extra zorgkosten.
Een veelgehoord argument om geen arbeidsongeschiktheidsverzekering (AOV) te sluiten, is dat deze te duur is. Daarmee is nog niet gezegd dat verzekeren geen optie is. U kunt zich als zelfstandige in het publieke bestel verzekeren via het UWV of in het private bestel bij AOVverzekeraars. Een derde mogelijkheid is een broodfonds.

Verzekeren via UWV
Vrijwillig verzekeren bij het UWV betekent voortzetting van wat u (vanuit voormalige loondienst) al gewend bent, maar dan betaalt u zelf de premie. De acceptatie is non-selectief, er worden geen gezondheidswaarborgen gevraagd,er gelden geen bijzondere voorwaarden (uitsluitingen). Het verzekerde bedrag is gemaximeerd tot het maximum
dagloon en bij het bepalen van de mate van arbeidsongeschiktheid wordt uitgegaan van het ruime arbeidsongeschiktheidscriterium ‘gangbare arbeid’. Voornamelijk oudere zzp’ers met een slechtere gezondheid kiezen voor deze variant. Vrijwillig verzekerd zijn via het UWV is niet goedkoop en u heeft daarbij geen invloed op de premie.

Verzekeren via een AOV-verzekeraar
De AOV-verzekeraars bieden producten waar u, in vergelijk met de sociale wetgeving, zich beter en voor meer kunt verzekeren. U kunt op basis van een afgestemd risicoprofiel producten op maat aanpassen. De verzekerde heeft daarom veel invloed op de hoogte van de premie. In alle gevallen wordt om gezondheidswaarborgen gevraagd met
al dan niet een medische keuring. De uitkering betreft een schadeverzekering of een sommenverzekering.

Broodfonds
Een derde variant is het broodfonds. Een groep zelfstandig ondernemers legt maandelijks een bepaald bedrag in. Hoeveel u inlegt, wordt bepaald aan de hand van de uitkering die u bij ziekte nodig heeft, zolang de uitkering maar overeenkomt met wat u maandelijks verdient. Leeftijd, beroepsrisico of ziekteverleden spelen hierbij geen rol.
Voorwaarde is wel dat de financiële verantwoording van het fonds jaarlijks gecontroleerd wordt en dat u open en transparant bent over de ziekte, waarvoor beroep op het fonds noodzakelijk is. Enkele nadelen: de uitkering is gemaximeerd tot twee jaar en de premie is fiscaal niet aftrekbaar.
Voordeel is dat u op elk moment kunt uitstappen en u uw eigen inleg terug kunt krijgen (voor zover niet uitgekeerd).


Het is verstandig om periodiek uw verzekeringen en in het bijzonder de AOV tegen het licht te houden. Vooral de laatste jaren is de AOV-markt in beweging geweest. Verzekeraars hebben prijsverlagingen en betere voorwaarden doorgevoerd om concurrerend te zijn en om potentiële klanten te interesseren.

Verplichte AOV in het Pensioenakkoord

In het Pensioenakkoord is afgesproken dat zzp’ers verplicht worden om zich te verzekeren tegen arbeidsongeschiktheid. Het Pensioenakkoord wordt momenteel uitgewerkt in concrete voorstellen. Zelfstandigenorganisaties worden bij de invulling van de verplichte AOV-afspraak betrokken. Aangezien veel zzp’ers tegen een verplichte AOV zijn, is het nog afwachten hoe de afspraak uit het Pensioenakkoord wordt vertaald naar een concreet voorstel.
Het voorstel wordt verwacht voor de zomer van 2020.

Voorkom dat u onnodig (te) hoge ww-premie betaalt vanaf 2020

Per 2020 gaat, anders dan nu het geval is, de indeling in hoge en lage premies gelden voor alle sectoren. Voorlopig is de lage premie 2,94% en de hoge premie 7,94%. Dat is een behoorlijk verschil. De lage premie kunt u alleen toepassen als aan bepaalde voorwaarden is voldaan.

Eén van die voorwaarden is dat de werknemer een vaste arbeidsovereenkomst heeft. Om de lage premie vervolgens toe te passen moet de arbeidsovereenkomst schriftelijk zijn vastgesteld en moet de arbeidsomvang eenduidig zijn. Daarnaast kan ook bij werknemers jonger dan 21 jaar en werknemers die een beroepspraktijkopleiding beroepsbegeleidende leerweg volgen de lage premie van toepassing zijn.

Voldoet u aan de voorwaarden? Mogelijk kunt u nog wijzigingen aanbrengen zodat u alsnog aan de voorwaarden voldoet. Het verschil in premie bedraagt 5%!

Nieuwe regelgeving voor zzp’ers: minimumtarief en zelfstandigenverklaring

De nieuwe regelgeving voor zzp’ers wordt naar verwachting eind deze maand afgerond. Er komt onder meer een minimumtarief van € 16 en een zelfstandigenverklaring.

Na de bekendmaking van het wetsvoorstel komt er een internetconsultatie, waarbij verschillende partijen, zoals vakbonden, werkgevers- en brancheorganisaties en zzp-organisaties hun inbreng kunnen geven.

Met betrekking tot de verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zpp’ers wacht het kabinet nog op de bevindingen van de commissie Borstlap en de voorstellen van de sociale partners en zzp-organisaties. De definitieve wetsvoorstellen worden in principe voor de zomer van 2020 aangeboden.

Het minimumtarief van € 16 moet armoede, schijnzelfstandigheid en concurrentie op arbeidsvoorwaarden voorkomen. Het tarief is afgeleid van het sociaal minimum en moet een gelijk speelveld creëren op de arbeidsmarkt. Naleving van het minimumtarief kan worden afgedwongen bij de civiele rechter.

Minister Koolmees benadrukt in de Telegraaf dat de verschillen tussen de grote groep zzp’ers van in totaal 1,4 miljoen groot zijn. Tot de groep behoren alle zpp’ers, van maaltijdbezorgers tot dure ICT’ers. Dat maakt wetgeving ingewikkeld.

De Belastingdienst controleert met ingang van oktober al strenger op schijnzelfstandigheid middels verscherpt toezicht. Er wordt gehandhaafd bij bedrijven en opdrachtgevers die kwaadwillend zijn of aanwijzingen van de Belastingdienst niet opvolgen.

Bron: Taxlive

Nieuw btw-identificatienummer voor eenmanszaken

Ondernemers met een eenmanszaak ontvangen binnenkort van de Belastingdienst een brief met hun nieuwe btw-identificatienummer (btw-id). In dit nieuwe nummer is niet langer het Burgerservicenummer (BSN) verwerkt. Ondernemers moeten vanaf 1 januari 2020 het btw-id gebruiken voor al hun zakelijke contacten.

btw-id
Het nieuwe btw-identificatienummer ziet er als volgt uit: landcode NL, 9 cijfers met de toevoeging B01 – of hoger. De 9 cijfers hebben niets meer te maken met het burgerservicenummer. Ondernemers met een eenmanszaak moeten het nieuwe btw-id vanaf 1 januari 2020 op al hun communicatiemiddelen vermelden, zoals facturen, website en briefpapier.

Het huidige btw-nummer noemt de Belastingdienst voortaan omzetbelastingnummer. Dit nummer moet de ondernemer blijven gebruiken bij contact met de Belastingdienst waaronder het doen van aangifte.

Het btw-id geldt alleen voor ondernemers met een eenmanszaak. Voor andere ondernemers, ook voor een VOF of maatschap, verandert er niets, behalve dat de naam van btw-nummer verandert in omzetbelastingnummer.

Alle informatie over het nieuwe btw-identificatienummer is terug te vinden op de website van de Belastingdienst .

 

Moet u binnenkort nieuw drukwerk aanschaffen, of wilt u uw website aanpassen: Wacht daar dan even mee tot u het nieuwe btw-identificatienummer weet. Dan kunt u dit gelijk goed meenemen.

Dividendbelasting blijft: lagere Vpb-tarieven en verzachting maatregel lenen bij de eigen bv

De afschaffing van de dividendbelasting gaat definitief niet door. Het daardoor vrijkomende budget wordt geheel gebruikt voor het bedrijfsleven. Dat laat het kabinet weten in een brief aan de Tweede Kamer. Zo wordt in 2021 het lage Vpb-tarief uiteindelijk verlaagd naar 15% in plaats van 16% en gaat het hoge Vpb-tarief naar 20,5% in plaats van 22,25%. Daarnaast wordt de voorgenomen maatregel om excessief lenen bij de eigen bv tegen te gaan, verzacht. Ook komt er overgangsrecht bij de beperking afschrijving op gebouwen in eigen gebruik in de Vpb en komt er meer geld beschikbaar voor innovatie. Maar er is meer…

De verzachting van de maatregel om lenen bij de eigen bv tegen te gaan, houdt in dat de uitzondering voor bestaande eigenwoningschulden ook gaat gelden voor nieuwe eigenwoningschulden van de dga. Bovenop deze eigenwoningschuld geldt een aanvullende drempel van € 500.000 voor de dga en zijn partner gezamenlijk.
Het extra budget voor innovatie wordt besteed aan de intensivering van de S&O-afdrachtvermindering door in 2020 het percentage van de tweede schijf te verhogen van 14% naar 16%.
Het overgangsrecht bij de beperking afschrijving op gebouwen in eigen gebruik in de Vpb geldt voor gebouwen die voor 1 januari 2019 in eigen gebruik zijn genomen en waarop nog geen drie jaar is afgeschreven. In dat geval mag de Vpb-plichtige alsnog blijven afschrijven volgens het oude regime tot maximaal 50% van de WOZ-waarde.

Andere maatregelen
Andere maatregelen die het kabinet treft met het vrijkomende budget van de dividendbelasting zijn:

  • alsnog overgangsrecht bij het verkorten van de maximale looptijd van de 30%-regeling. Dit overgangsrecht is bedoeld voor de groep voor wie de regeling in 2019 of 2020 zou vervallen als gevolg van de verkorting van de looptijd;
  • verkorting van de terugwerkende kracht van de spoedmaatregel fiscale eenheid in de Vpb, De terugwerkende kracht van de spoedreparatiemaatregelen wordt beperkt tot 1 januari 2018 in plaats van 25 oktober 2017;
  • afzien van de maatregel die fiscale beleggingsinstellingen (fbi’s) voortaan verbiedt om direct te beleggen in Nederlands vastgoed;
  • verlaging van de werkgeverslasten op arbeid, door hiervoor vanaf 2021 structureel een bedrag van € 200 miljoen te reserveren.

Bijtelling privégebruik auto door bezoeken dga aan golfclubs

Een dga die meende geen bijtelling voor privégebruik te hoeven toepassen omdat hij minder dan 500 km privé reed kwam bedrogen uit.

In 2011 had hij echter 79 bezoeken aan golfclubs als zakelijke ritten aangemerkt. Volgens de inspecteur had hij daardoor meer dan 500 km’s privé met de auto gereden en had hij dus de forfaitaire bijtelling over de cataloguswaarde van € 83.735 moeten opnemen in zijn aangifte.

De Rechtbank had de inspecteur in het gelijk gesteld waarop de dga in hoger beroep was gegaan.

In hoger beroep oordeelt Hof ‘s-Hertogenbosch dat personen die qua inkomen, vermogen en gezin in dezelfde omstandigheden als X verkeren jaarlijks zeventien bezoeken aan golfclubs brengen, zodat in zoverre sprake is van privé-km’s. De 58 overige ritten telden dus wel mee als zakelijke ritten.

De 17 privé ritten betekenden echter 272 privé-kilometers.Aangezien de overige – wel als privé – verantwoorde km’s in 2011 326 hadden bedragen, heeft de dga in totaal 272 + 326 = 598 km prive gereden. En dat is meer dan 500 km, zodat de bijtelling terecht is. Het beroep van de dag is ongegrond.

Bron: Hof ‘s-Hertogenbosch, 21-06-2018, nr. 16/03337