Nieuws

Verzoek uitstel van betaling weer tot en met 31 december 2020 mogelijk

Het kabinet maakte woensdag bekend dat ondernemers nog tot 1 januari 2021 uitstel van belastingbetaling kunnen krijgen. Lees hier alle informatie die de fiscus over de verlenging op een rij heeft gezet.

Ben je ondernemer en heb je tot nu toe geen bijzonder uitstel van betaling vanwege de coronacrisis aangevraagd? Tot 1 januari 2021 kun je dat alsnog doen. Heb je vóór 1 oktober 2020 al eens het bijzonder uitstel aangevraagd of verlengd voor 1 of meer belastingen? En wil je het bijzonder uitstel nu aanvragen voor andere belastingen? Ook dat kan nog tot 1 januari 2021. De belastingen waarvoor het bijzonder uitstel geldt, hoef je tot 1 juli 2021 niet te betalen.

Vanaf vandaag kun je snel en makkelijk bijzonder uitstel van betaling aanvragen met een online formulier. Maar je kunt ook schriftelijk bijzonder uitstel van betaling aanvragen.

Heb je tussen 1 oktober en 4 november 2020 schriftelijk bijzonder uitstel van betaling aangevraagd? Dan behandelt de Belastingdienst de aanvraag binnen 3 weken. Je krijgt hierover nog een brief van de fiscus. Of heb je de Belastingdienst in die periode online of schriftelijk gevraagd om verlenging van het bijzonder uitstel van betaling, terwijl je nog nooit bijzonder uitstel had aangevraagd? Dan behandelt de Belastingdienst dit verzoek binnen 3 weken als een aanvraag. Ook in dit geval krijg je een brief van de fiscus.

De regeling voor bijzonder uitstel van betaling eindigt 1 januari 2021

Aan betalingsverplichtingen die ontstaan vanaf 1 januari 2021, moet je op de gewone manier voldoen. Dus je moet weer op tijd belasting aangeven én betalen over deze tijdvakken: het 4e kwartaal van 2020, de maand december 2020, of de 13e vierwekenperiode van 2020. En daarna over de volgende tijdvakken.

Vanaf 1 juli 2021 ga je de belastingschuld aflossen

Als je gebruikmaakt van het bijzonder uitstel betaal je van 12 maart 2020 tot en met 31 december 2020 de belastingen waarvoor het uitstel geldt nog niet. Hierdoor ontstaat een belastingschuld. In het voorjaar van 2021 ontvang je een brief van de Belastingdienst waarin de fiscus je een betalingsregeling aanbiedt. Je krijgt van 1 juli 2021 tot 1 juli 2024 de tijd om de belastingschuld af te lossen. Je betaalt dan 36 maanden lang iedere maand een vast bedrag. Als je eerder wilt afbetalen of extra wilt aflossen kan dat natuurlijk.

Neemt u gerust contact met ons op als u hierover vragen heeft. Wij helpen u graag. U bereikt ons via [email protected] of 036-547 2019.

Correct omgaan met de ODV luistert nauw

De oudedagsverplichting (ODV) is gepresenteerd als de simpele vervanger van het pensioen in eigen beheer. Schijn bedriegt echter: de ODV-verplichting moet jaarlijks worden opgerent met het gemiddelde U-rendement van het afgelopen kalenderjaar.
Dat rendement is momenteel negatief. Dit betekent dat de verplichting ook daadwerkelijk moet worden verlaagd! De uitkeringen uit hoofde van de ODV moeten uiterlijk twee maanden na het bereiken van de AOW-leeftijd ingaan. Ook bij overlijden van de DGA gelden er strakke termijnen voor wat betreft de ingangsdatum. Het zijn simpele regels, maar op overtreden staat een zware fiscale sanctie.

Wil je fouten op dit gebied voorkomen die grote gevolgen kunnen hebben? Neem dan contact met ons op via [email protected] of 036-547 2019

De BV in of niet?

Er zijn een aantal fiscale ontwikkelingen die een BV-structuur aantrekkelijk maken ten opzichte van het ondernemen middels een IB-onderneming (eenmanszaak, VOF). Deze ontwikkelingen maken het verstandig dat u uw rechtsvorm heroverweegt.

Zo daalt het komende jaar de heffing in de eerste schijf van de vennootschapsbelasting verder. Daarnaast wordt de zelfstandigenaftrek versneld afgebouwd. Bovendien levert de ondernemersaftrek en MKB-winstvrijstelling steeds minder fiscaal voordeel op doordat deze aftrek steeds verder beperkt wordt qua tarief. Reden genoeg om uw rechtsvorm te heroverwegen.

Neemt u gerust contact met ons op als u hierover vragen heeft. Wij helpen u graag. U bereikt ons via [email protected] of 036-547 2019.

Kabinet komt met aanvullingen op derde steunpakket

Het kabinet stelt vanwege de economische gevolgen van de aanvullende maatregelen tegen het coronavirus ongeveer een half miljard euro extra beschikbaar voor ondernemers en verruimt enkele steunregelingen. Zo krijgt de horeca een eenmalige subsidie op aangelegde en nu onbruikbare voorraad. Ook komen meer sectoren – waaronder de transportsector – in aanmerking voor de Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL). Daarnaast komt het kabinet de evenementenbranche te hulp, die vaak een groot deel van de jaaromzet in de zomermaanden verdient. De maatregelen die het kabinet vandaag aankondigt zijn een aanvulling op het derde steunpakket.

Tijdelijke verbreding TVL

Het kabinet heeft besloten om de TVL tijdelijk open te stellen voor alle sectoren. Niet alleen direct getroffen bedrijven merken namelijk de gevolgen van de overheidsmaatregelen tegen het coronavirus, maar ook toeleveranciers, de transportsector en de voedingstuinbouw. Voor de tijdelijke verbreding TVL is 140 miljoen euro gereserveerd. Bedrijven kunnen vanaf medio november een aanvraag indienen.

Subsidie voorraad- en aanpassingskosten

Horecaondernemers hebben voorraden aangelegd die ze niet meer kunnen gebruiken vanwege de tijdelijke sluiting. Ook hebben zij vaak geïnvesteerd om in de winter op een coronaveilige manier open te kunnen blijven, bijvoorbeeld door hun terras te overkappen. Het kabinet geeft, bovenop de TVL, een eenmalige subsidie om deze gemaakte kosten te compenseren, van circa 2,75 procent van de omzetderving, gemiddeld 2500 euro. Ondernemers kunnen de subsidie vanaf medio november aanvragen via de TVL-aanvraag. Voor deze regeling is 40 miljoen gereserveerd.

Evenementen

Door de coronamaatregelen zijn veel evenementen, zoals muziekfestivals en kermissen, niet doorgegaan. Bedrijven en leveranciers in de evenementenindustrie zijn voor hun omzet grotendeels afhankelijk van de zomermaanden. Die schommeling in omzet kan zorgen voor een vertekend beeld bij de berekening van de TVL. Het kabinet komt daarom nu met een eenmalige extra vergoeding die gebaseerd is op de TVL-vergoeding van de zomer. Het gaat naar verwachting om 800 evenementenondernemers, die gemiddeld zo’n 14.000 euro krijgen. Hiervoor is een bedrag van 11 miljoen euro gereserveerd.

Time-out arrangement (TOA)

Ook het eerder aangekondigde Time Out Arrangement krijgt verder vorm. Dat stelt ondernemers in staat om hun bedrijf tijdelijk in een soort winterslaap te brengen. Zodra de situatie weer verbetert kunnen zij snel weer van start gaan. Op die manier hoeven in de kern gezonde bedrijven geen faillissement aan te vragen. Het kabinet werkt dit nu verder uit in de Wet homologatie onderhands akkoord (WHOA).

(Tijdelijke) banen

Het kabinet onderzoekt daarnaast of (tijdelijke) banen voor crisisondersteuning zwaarbelaste sectoren verlichting kunnen bieden, terwijl zo tegelijk mensen tijdelijk aan het werk kunnen worden geholpen.

Verdere maatregelen

  • 40 miljoen voor ‘vrije theaterproducenten’: niet-gesubsidieerd theater kampt ook met voorstellingen die niet door hebben kunnen gaan. Het kabinet komt deze groep tegemoet.
  • Het sport-specifieke pakket wordt aangepast en opnieuw opengesteld voor de periode 1 oktober t/m 31 december. Hiermee is een bedrag van 60 miljoen gemoeid.
  • Het kabinet reserveert nog eens 150 miljoen om inkomstenderving bij gemeenten op te vangen, bovenop de eerder gereserveerde 100 miljoen.
  • Om bedrijven in hun liquiditeitsbehoefte te blijven ondersteunen is het van belang om de corona garantieregelingen te verlengen. De corona garantiemaatregelen zoals de KKC en de GO-C worden verlengd tot en met 30 juni 2021.
  • Met de detailhandel is een afsprakenkader gemaakt over handhaving van de basisregels. Het kabinet benadrukt hoe belangrijk het is dat mensen zich aan de regels houden, en roept iedereen op om alléén te gaan winkelen en winkeltijden meer te spreiden.

Kamerbrief over aanvullingen op steun- en herstelpakket

Kun u straks gebruikmaken van de nieuwe Baangerelateerde Investeringskorting (BIK)?

Op Prinsjesdag 2020 is de Baangerelateerde Investeringskorting (BIK) bekendgemaakt. Van deze korting kunnen ondernemers die personeel in dienst hebben en investeringsverplichtingen in bedrijfsmiddelen aangaan vanaf 1 oktober 2020 straks mogelijk gebruikmaken.

Op Prinsjesdag 2020 heeft het kabinet de BIK voorgesteld. De bedoeling is dat dit voorstel per 1 januari 2021 in werking treedt. De Bik is een korting op te betalen loonheffing. Dat betekent dat u dan mogelijk minder loonheffing hoeft af te dragen als u investeringsverplichtingen aangaat vanaf 1 oktober 2020. Interessant is dat de BIK kan samenlopen met andere reeds bestaande investeringsregelingen, zoals de investeringsaftrek. Bijvoorbeeld groene investeringen kunnen daardoor extra aantrekkelijk worden.

Met deze investeringskorting kunnen zowel IB-ondernemers als Vpb-ondernemers onder bepaalde voorwaarden een deel van hun investeringen verrekenen met hun loonheffingen. Voor investeringen tot en met vijf miljoen euro geldt dat drie procent van de investering in mindering kan worden gebracht op de loonheffingen. Voor grotere investeringen is dit 2,44 procent voor het deel boven de 5 miljoen euro. Door de investeringskorting te koppelen aan de afdracht van loonheffingen, kunnen ook ondernemingen die nu verlies leiden al profijt van deze regeling hebben. Deze crisismaatregel duurt tot en met 31 december 2022. Daarna zal het kabinet met een andere maatregel komen om de werkgeverslasten te verlagen.

Op dit moment moet het voorstel nog worden aangenomen door zowel de Tweede en Eerste Kamer.

Goede voorbereiding op Brexit noodzakelijk

Minister Kaag en staatssecretaris Keijzer hebben een brief naar tienduizenden ondernemers gestuurd. Hierin vragen ze aandacht voor het zakendoen met het Verenigd Koninkrijk.

Sinds 1 februari van dit jaar is het Verenigd Koninkrijk door de Brexit geen onderdeel meer van de Europese Unie. Op dit moment geldt er een overgangsperiode, waardoor de meeste mensen en bedrijven nog maar weinig gemerkt hebben van de Brexit. Maar op 1 januari 2021 loopt de overgangsperiode af en ontstaat er een nieuwe situatie waarin ook de manier van handelen met het Verenigd Koninkrijk zal veranderen. Hoe de nieuwe situatie er precies uit zal zien, is op dit moment nog niet bekend, omdat de EU en het Verenigd Koninkrijk hier momenteel nog over onderhandelen.

Via het Brexitloket is informatie vinden over de actuele situatie. Verder is er ook de Brexit Impact Scan, om inzicht te krijgen in de mogelijke impact van Brexit op het bedrijf en wat men kan doen. Tot slot wijzen ze op de mogelijkheid om een Brexit-voucher aan te vragen voor subsidie voor maatwerkadvies over het omgaan met de gevolgen van Brexit, evenals advies over toegang tot alternatieve markten.

Meer informatieRijksoverheid, 21 oktober 2020

Minimumloon omhoog per 1 januari 2021

Per 1 januari 2021 stijgt het wettelijk minimumloon voor een werknemer van 21 jaar en ouder van € 1.680,00 naar € 1.684,80 per maand. Ieder half jaar worden de minimumloonbedragen aangepast. De nieuwe Regeling met aanpassing van de bedragen per 1 januari 2021 is met toelichting gepubliceerd in de Staatscourant van 15 oktober 2020.

Minimumloon

Per 1 januari 2021 bedraagt het bruto wettelijk minimumloon voor werknemers van 21 jaar en ouder bij een volledig dienstverband:

  • € 1.684,80 per maand,
  • € 388,80 per week en,
  • € 77,76 per dag.

Wettelijk minimumjeugdloon

De regeling vermeldt ook het wettelijk minimumjeugdloon voor werknemers in de leeftijd tussen 15 en 20 jaar. Zo bedraagt het minimumjeugdloon voor een 20-jarige vanaf 1 januari 2021 € 1.347,85 per maand. Voor een 15-jarige is dit € 505,45.

Voor werknemers werkzaam op basis van een arbeidsovereenkomst aangegaan in verband met een beroepsbegeleidende leerweg (bbl) gelden, afhankelijk van de leeftijd (18-20 jaar), alternatieve staffels. Deze alternatieve staffels zijn ook opgenomen in de nu gepubliceerde regeling. Zo geldt voor een leerling in de bbl in de leeftijd van 18 jaar een wettelijk minimumjeugdloon van € 766,60 per maand.

Brutobedragen per uur

Tot slot bevat de regeling een schema van de afgeronde brutobedragen per uur, berekend op basis van het wettelijk minimumweekloon bij een arbeidsduur van respectievelijk 36, 38 en 40 uur per week.

Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, 7 oktober 2020, nr. 2020-0000133577

Hoge of lage WW-premie? Kennisdocument geeft uitleg

De Wet Arbeidsmarkt in Balans bepaalt wanneer de werkgever een hoge of lage WW-premie moet berekenen. In de praktijk blijkt dat niet altijd eenduidig. Daarom komt het ministerie van SZW nu met een kennisdocument.

Contract leidend
Met de nieuwe vorm van premiedifferentiatie WW is de hoogte van de WW-premie niet meer afgeleid van de sector en de risicopremiegroep waarin de werkgever actief is. De aard van het contract – vast (voor onbepaalde tijd) of flexibel – is vanaf 2020 leidend voor de hoogte van de WW-premie. In geval van een vast contract betaalt de werkgever minder WW-premie. Zo worden werkgevers gestimuleerd om vaste contracten te bieden aan werknemers. Om in aanmerking te komen voor de lage premie moet het gaan om een schriftelijke arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, waarbij geen sprake is van een oproepovereenkomst.

Uitzonderingen
Een probleem gaven tot nu toe de uitzonderingen. Er zijn drie situaties waarin de werkgever altijd de lage WW-premie mag betalen:

  1. Wanneer een werkgever met een BBL-leerling een praktijkovereenkomst sluit en die voorziet van dagtekening en in de administratie opneemt, dan mag de werkgever de lage WW-premie betalen als de werkgever ook een arbeidsovereenkomst met de BBL-leerling heeft. BBL staat voor Beroeps Begeleidende Leerweg. De praktijkovereenkomst kan gepaard gaan met een arbeidsovereenkomst doordat beide overeenkomsten door partijen worden gesloten of doordat uit de aard van de feitelijk te verrichten activiteiten en de verhouding waarbinnen die activiteiten worden verricht ook sprake is van een arbeidsovereenkomst. Let wel: de lage WW-premie is slechts van toepassing indien de praktijkovereenkomst is ondertekend door alle betrokken partijen (zijnde: de instelling, de student en het bedrijf dat of de organisatie die de beroepspraktijkvorming verzorgt). Indien de laatste handtekening op een later moment wordt gezet dan de ingangsdatum van de arbeidsovereenkomst, is over de tussenliggende periode de hoge WW-premie verschuldigd.
  2. De werkgever betaalt de lage WW-premie indien een arbeidsovereenkomst is gesloten met een werknemer jonger dan 21 jaar die maximaal 48 uur per aangiftetijdvak van vier weken of 52 uur per aangiftetijdvak van een kalendermaand verloond heeft gekregen. Het is hierbij niet van belang of de arbeidsovereenkomst voor bepaalde of onbepaalde tijd is gesloten of dat het een oproepovereenkomst betreft.
  3. De werkgever betaalt over uitkeringen op grond van de werknemersverzekeringen (WW, ZW, WIA, WAO, WAZO) de lage WW-premie. Dit is zowel het geval indien UWV de uitkering rechtstreeks aan de werknemer betaalt als wanneer de werkgever de uitkering van UWV ontvangt en aan de werknemer doorbetaalt (dit wordt een werkgeversbetaling genoemd) of als de werkgever eigenrisicodrager is en de uitkering zelf betaalt. Overigens geldt voor het gedeelte loon dat de werkgever naast de uitkering betaalt gewoon de hoofdregel dat de contractindicaties de hoogte van de WW-premie bepalen.

Download hier het Kennisdocument.

Geen privégebruik auto? Houd een rittenadministratie bij!

Stelt u als werkgever auto’s ter beschikking aan werknemers en/of aan dga’s? Dan is het dringende advies om een sluitende rittenadministratie bij te houden als bewijs dat de auto niet voor meer dan 500 kilometers privé is gebruikt. Een achteraf opgemaakt rittenregistratie zal over het algemeen niet voldoende zijn. Dit kan in uitzonderlijke gevallen anders zijn, getuige een uitspraak van een gerechtshof uit mei 2020.

De bewijslast dat een auto voor niet meer dan 500 kilometer privé is gebruikt, ligt bij de belastingplichtige. Deze bewijslast is zwaar: U kunt niet volstaan met aannemelijk maken, maar moet overtuigd bewijs leveren. Kunt u dit niet, dan kan de Belastingdienst zonder meer bijtellen. U kunt aan de bewijslast voldoen door het bijhouden van een sluitende rittenadministratie. Het is ook toegestaan om op andere wijze aan de bewijslast te voldoen, maar dit zal, vanwege het noodzakelijke overtuigende bewijs, over het algemeen nauwelijks kans van slagen hebben.

Een gerechtshof en de rechtbank wezen een achteraf opgemaakt en niet sluitende rittenadministratie af als bewijs dat de auto niet in privé werd gebruikt. De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. De dga stelde zich op het standpunt de auto van de zaak niet privé te hebben gebruikt maar had geen rittenadministratie bijgehouden. De achteraf opgestelde rittenregistratie van de dga vonden de rechters niet sluitend en kon dus niet dienen als bewijs dat de auto van de zaak niet of voor minder dan 500 km privé was gebruikt. De werkgever van de dga werd daarom geconfronteerd met een naheffing loonheffingen mét boete. En dat over meerdere jaren!

Een ander gerechtshof wees daarentegen een achteraf opgemaakte rittenregistratie wél toe als bewijs dat de (bestel)auto niet in privé werd gebruikt. Het gerechtshof vond de achteraf overgelegde, maar zeer zorgvuldig opgestelde rittenregistratie overtuigend genoeg. Dit in combinatie met de overgelegde facturen, foto’s, het Tellerrapport van de RDW, een werkplaatsbon en de verklaringen die gedaan waren ter zitting met betrekking tot de door de Inspecteur gestelde ‘hiaten’. Het bewijs was overtuigend genoeg voor de conclusie dat per kalenderjaar van het onderhavige naheffingstijdvak niet meer dan 500 km in privé was gereden met de bestelauto.

Alle fiscale Prinsjesdagplannen op een rijtje!

Ondernemer

Zelfstandigenaftrek sneller en meer afgebouwd

Een van de maatregelen die op Prinsjesdag is bekendgemaakt, is dat de zelfstandigenaftrek (nu maximaal € 7.030) verder wordt afgebouwd dan vorig jaar werd bepaald. De afbouw vindt vanaf volgend jaar plaats met stappen van € 360 per jaar tot en met 2027 en met € 390 in 2028. In 2021 bedraagt de zelfstandigenaftrek dus maximaal € 6.670. Daarna daalt de aftrek met € 110 per jaar, zodat de aftrek uiteindelijk in 2036 nog maximaal € 3.240 bedraagt.

U komt in beginsel voor deze aftrek in aanmerking als u:

  • jonger bent dan de AOW-gerechtigde leeftijd én
  • tenminste 1.225 uren én
  • 50% van uw totale arbeidstijd aan werkzaamheden voor uw onderneming besteedt.

Heeft u aan het begin van het kalenderjaar de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt en voldoet u aan het urencriterium, dan heeft u recht op 50% van de aftrek.

Om in aanmerking te komen voor de zelfstandigenaftrek moet u aannemelijk kunnen maken dat u aan het urencriterium heeft voldaan. Zorg dus dat u een urenspecificatie van uw werkzaamheden voor uw onderneming bijhoudt.

 

Berekening KIA verduidelijkt

Als u investeert in uw bedrijf, kunt u gebruikmaken van de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA). De KIA is – naast afschrijvingen – een extra aftrek op de winst. U kunt de KIA claimen als u op jaarbasis tussen € 2.400 en € 323.544 (2020) investeert in bedrijfsmiddelen. Bij ondernemers met meerdere ondernemingen en bij samenwerkingsverbanden (bijvoorbeeld een vennootschap onder firma (VOF) of maatschap) levert de berekening van de KIA regelmatig discussie op met de Belastingdienst. Om geschillen hierover te voorkomen is de KIA verduidelijkt.

KIA bij meerdere ondernemingen

Bent u ondernemer en heeft u meerdere ondernemingen, dan bepaalt u de KIA per onderneming op basis van de investeringen die u per onderneming heeft gedaan. U moet hiervoor dus niet alle investeringen van al uw ondernemingen samentellen.

KIA bij samenwerkingsverband

Bent u een ondernemer die deelneemt aan een samenwerkingsverband, dan is het volgende voor u van belang. Geven uw investeringen samen met de investeringen van de andere deelnemers aan een samenwerkingsverband recht op het maximumbedrag van de KIA, dan heeft u slechts recht op een evenredig deel van het maximumbedrag aan KIA voor uw aandeel in het totaal van de investeringen.

Winstvrijstelling TOGS en TVL

De TOGS (€ 4.000) was een eenmalige tegemoetkoming waarmee u de vaste lasten van uw bedrijf kon blijven betalen tijdens de coronacrisis. Inmiddels is de TOGS opgevolgd door de TVL-regeling. Het recht op deze tegemoetkoming is afhankelijk van de grootte van uw bedrijf, de hoogte van uw vaste lasten en de mate van omzetdaling (minimaal 30%). Beide tegemoetkomingen zijn vrijgesteld van winstbelasting. Maar dat kan alleen als dit in de wet geregeld is. Dat is nu gebeurd.

CO2-heffing voor de industrie

Het kabinet wil vanaf 2021 een CO2-heffing invoeren voor de industrie. Bedrijven krijgen een vrijstelling voor een bepaalde hoeveelheid CO2-uitstoot, die vanaf 2021 jaarlijks afloopt tot 2030. De heffing wordt toepast op de te veel uitgestoten CO2. Deze heffing moet de industrie stimuleren om de CO2-uitstoot te reduceren. Hiermee wil het kabinet de reductiedoelstelling van het Klimaatakkoord halen. De heffing geldt niet voor bepaalde branches, zoals de glastuinbouw, ziekenhuizen en universiteiten.

 

DGA

Lage tarief vennootschapsbelasting verlaagd en verruimd

 U gaat in 2021 minder vennootschapsbelasting (Vpb) betalen over uw winst. Het Vpb-tarief in de eerste schijf gaat namelijk omlaag van 16,5% naar 15%. Bovendien wordt die schijf in 2021 verlengd van een jaarwinst van € 200.000 naar € 245.000. In 2022 wordt de schijf verder verlengd naar € 395.000 jaarwinst. De verlaging van het hoge Vpb-tarief (25%) in de tweede schijf naar 21,7% gaat niet door.

Heeft u meerdere vennootschappen die samen een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting vormen? Het kan dan interessant zijn om de fiscale eenheid te verbreken. De hogere grens voor het lage Vpb-tarief geldt namelijk voor alle winst van de fiscale eenheid bij elkaar. Maar zonder fiscale eenheid kunt u per vennootschap profiteren van deze hogere grens.

 

Eerder coronaverlies 2020 verrekenen

Een fiscale coronamaatregel die een wettelijke grondslag moest krijgen, betreft de geschatte coronaverliezen van 2020 in de vennootschapsbelasting. Die mag uw bv dit jaar al als fiscale coronareserve verrekenen met de winst van 2019. De fiscale coronareserve mag niet hoger zijn dan de winst van 2019. Zonder deze maatregel zou u het verlies van 2020 pas kunnen verrekenen met de winst van 2019 bij het indienen van de aangifte vennootschapsbelasting over 2020, dus pas in 2021 of nog later. Deze coronamaatregel moet bijdragen aan de verbetering van de liquiditeitspositie van uw bedrijf.

Pas op voor verliesverdamping

De coronareserve wordt in 2019 gevormd en vermindert daardoor de winst over 2019. In 2019 kunnen dus minder onverrekende verliezen uit voorgaande jaren worden verrekend. Oude verliezen kunnen daardoor mogelijk nooit meer verrekend worden met toekomstige winst. Laat daarom een deskundige de toevoeging aan de coronareserve zodanig vaststellen dat deze verliesverdamping wordt voorkomen.

Verhoging tarief innovatiebox

Bent u een innovatieve ondernemer? In dat geval kunt u mogelijk gebruikmaken van de innovatiebox. De voordelen uit octrooien en/of immateriële activa in deze box zijn nu nog belast tegen een effectief Vpb-tarief van 7%. Het kabinet heeft voorgesteld om het effectieve Vpb-tarief in deze box in 2021 te verhogen naar 9%.

Aftrek liquidatieverlies beperkt

Neemt uw vennootschap deel in een andere vennootschap, dan worden de winsten of verliezen die met deze deelneming verband houden niet meegeteld in de winst van uw vennootschap. Op deze deelnemingsvrijstelling geldt één uitzondering voor de aftrekbaarheid van verliezen wanneer de deelneming wordt geliquideerd. In dat geval is het liquidatieverlies wèl aftrekbaar van de winst. Omdat deze uitzondering leidt tot uitholling van de Nederlandse belastinggrondslag wordt voorgesteld om de aftrek alleen nog toe te staan:

  • voor liquidatiesverliezen van deelnemingen, waarin een belang van meer dan 50% (dit was 25%) wordt gehouden;
  • voor liquidatieverliezen van deelnemingen die in Nederland of in een andere EU/EER-lidstaat zijn gevestigd;
  • als de vereffening van het vermogen van de geliquideerde deelneming is voltooid binnen 3 jaar na de staking van de onderneming of het liquidatiebesluit.

Tot een bedrag van € 5 miljoen (was € 1 miljoen) zijn liquidatieverliezen altijd aftrekbaar.

Vergelijkbare wijzigingen zijn voorgesteld voor stakingsverliezen van vaste inrichtingen. Vaste inrichtingen zijn bedrijfsruimtes in Nederland die onderdeel zijn van een buitenlandse onderneming, die over voldoende faciliteiten beschikt om als zelfstandige onderneming te functioneren.

 

Werkgevers en werknemers

Meer vrije ruimte in de werkkostenregeling

De vrije ruimte voor de eerste € 400.000 van de fiscale loonsom per werkgever is eenmalig en tijdelijk verhoogd van 1,7% naar 3% voor het jaar 2020. De vrije ruimte wordt dus maximaal met € 5.200 verhoogd. Deze coronamaatregel moet u als werkgever mogelijkheden bieden om uw werknemers in deze moeilijke tijd extra tegemoet te komen. Bijvoorbeeld door het verstrekken van een bloemetje of een cadeaubon. Maar de extra ruimte kunt u ook benutten voor thuiswerkfaciliteiten.

Boven een fiscale loonsom van € 400.000 gaat het percentage van 1,2% vanaf 2021 omlaag naar 1,18%. Deze maatregel is – in tegenstelling tot het bovenstaande – echter niet tijdelijk.

Uitzondering splitsing bijtelling ook voor zonnecelauto’s

Het bijtellingspercentage voor een nieuwe elektrische auto van de zaak wordt in 2021 verder verhoogd van 8% naar 12%. De catalogusprijs waarop u dit percentage moet toepassen, wordt bovendien verlaagd van maximaal € 45.000 naar € 40.000. Is de catalogusprijs hoger, dan geldt voor het meerdere een bijtellingspercentage van 22%. Maar rijdt uw auto van de zaak op waterstof, dan geldt deze splitsing in het bijtellingspercentage niet voor u. Dit is allemaal al eerder besloten. Het kabinet stelt nu voor dat vanaf 2021 deze uitzondering ook geldt voor nieuwe zonnecelauto’s van de zaak. Een zonnecelauto is een elektrische auto met geïntegreerde zonnepanelen. U mag daardoor ook bij deze auto’s over de hele aanschafprijs het lage bijtellingspercentage van 12% (in 2021) toepassen. Deze regeling geldt niet alleen voor werkgevers en werknemers, maar ook voor ondernemers en DGA’s die rijden in een auto van de zaak.

Verruiming gerichte vrijstelling scholingskosten

Het kabinet stelt voor om de gerichte vrijstelling voor scholing ook te laten gelden bij verstrekkingen en vergoedingen ten behoeve van scholing die voortvloeien uit vroegere arbeid. Deze verruiming is bedoeld voor vergoedingen en verstrekkingen voor het volgen van een opleiding of studie om inkomen te verwerven. De gerichte vrijstelling kan dus niet worden benut voor bestedingen aan onderhoud of verbetering van kennis en vaardigheden van de dienstbetrekking. Deze maatregel wordt betaald uit de verlaging op het percentage in de werkkostenregeling van 1,2% naar 1,18%.

TOFA-uitkering is belast loon

Bent u flexwerker, dan heeft u mogelijk gebruik gemaakt van de TOFA-regeling. Dit betreft een eenmalige bruto tegemoetkoming ter compensatie van gederfd loon. Deze tegemoetkoming geldt als belast loon en vormt inkomen voor de toeslagen. Het kabinet stelt daarom voor de TOFA-uitkering met terugwerkende kracht aan te merken als loon uit vroegere dienstbetrekking.

Nieuwe korting voor investeren in banen

Vanaf 2021 wil het kabinet tijdelijk een extra aftrek voor investeringen invoeren: de ‘Baangerelateerde Investeringskorting (BIK). Bedrijven worden gestimuleerd om te investeren door hiervoor een korting te geven die kan worden verrekend met de loonheffing. De details van deze nieuwe investeringskorting worden later verder uitgewerkt.

Bonus zorgpersoneel

Het kabinet stelt voor om werknemers in de zorg die hebben bijgedragen aan de bestrijding van het coronavirus volgend jaar een netto bonus uit te keren van € 500. Doordat de bonus netto wordt uitbetaald heeft deze geen invloed op het recht op toeslagen. Dit jaar bedraagt de netto bonus nog € 1.000.

Alle belastingbetalers

Lager IB-tarief in eerste schijf

Sinds dit jaar bestaan er nog twee tariefschijven in de loon- en inkomstenbelasting: een schijf met een laag tarief (nu: 37,35%) en een schijf met een hoog tarief (nu: 49,5%) dat van toepassing is op een inkomen vanaf € 68.507. In 2021 gaat het lage tarief omlaag naar 37,10%. Het hoge tarief wijzigt niet. Tussen 2022 en 2024 wordt het tarief in de eerste schijf verder verlaagd tot uiteindelijk 37,03%.

Hogere heffingskortingen

De arbeidskorting wordt extra verhoogd door de verhoging die gepland stond voor 2022 al in 2021 toe te passen. De verhoging komt dus bovenop de al geplande verhoging voor 2021. Ook de algemene heffingskorting wordt extra verhoogd met € 22 bovenop de € 60 die al was ingepland. Ook wordt de ouderenkorting verhoogd.

Lager eigenwoningforfait

Het eigenwoningforfait voor woningen met een WOZ-waarde tot € 1.110.000 (in 2020: € 1.090.000) wordt verlaagd van 0,60% naar 0,50% in 2021. Voor woningen met een WOZ-waarde van € 1.110.000 of meer blijft het forfait 2,35%. Zij zijn dit tarief alleen verschuldigde voor de WOZ-waarde boven € 1.110.000.

Levenslooptegoed eerder belast

Legt u nog in op een levensloopregeling of heeft u uw levenslooptegoed nog niet gebruikt? Onder de huidige regelgeving wordt het tegoed dat per einde 2021 op uw levenslooprekening staat, ineens uitgekeerd en progressief belast in de loon- en inkomstenbelasting. Het kabinet stelt echter voor om dit fictieve genietingsmoment te vervroegen naar 1 november 2021. Daardoor heeft u de gelegenheid om voor 31 december 2021 de verschuldigde loonheffing te betalen. Dit heeft als voordeel dat het bruto saldo van uw levenslooptegoed niet volledig wordt belast in box 3 op de peildatum 1 januari 2022.

Inhoudingsplicht loonheffing

Een andere wijziging in de levensloopregeling betreft de instantie die op het fictieve genietingsmoment de loonheffing over het levenslooptegoed moet inhouden en afdragen. Nu is uw (ex-)werkgever de inhoudingsplichtige, maar dit wordt de instelling die de levensloopregeling uitvoert, bijvoorbeeld een bank.

Levensloopverlofkorting

Nu kan de inhoudingsplichtige de levensloopverlofkorting toepassen bij uitbetaling van (een deel van) het levenslooptegoed. Als het aan het kabinet ligt, kan de (ex-)werknemer voortaan de levensloopverlofkorting alleen nog benutten via zijn/haar IB-aangifte.

Om te voorkomen dat u bij uitkering ineens veel belasting moet betalen, is gefaseerd uitkeren van het levenslooptegoed een optie. Voor zover uw vermogen in box 3 daardoor aangroeit, moet u wel rekening houden met de eventuele box-3-heffing.

 

Nieuw voorstel box 3

Een andere matregel betreft onder meer de vrijstelling in box 3. Die gaat volgend jaar van € 30.846 naar € 50.000 per belastingplichtige. Hebt u een fiscale partner, dan hebt u samen dus een vrijstelling van € 100.000. Maar daar blijft het niet bij, want daar staat een tariefsverhoging tegenover van 30% naar 31%. Bovendien zijn maatregelen getroffen om te voorkomen dat de verhoging van de box-3-vrijstelling doorwerkt naar de diverse inkomens- en vermogensafhankelijke regelingen, zoals de zorg- en kinderopvangtoeslag en de eigen bijdrage aan een zorginstelling.

Doorwerking voorkomen

Zonder nadere regeling leidt de verhoging van de box-3-vrijstelling ertoe dat meer mensen aanspraak kunnen maken op een toeslag of in aanmerking komen voor een hogere toeslag. Daarom wordt vanaf 2021 voor de vermogenstoets in de inkomensafhankelijke regelingen aangesloten bij de vermogensrendementsgrondslag zonder aftrek van de vrijstelling in box 3. De inspecteur legt daartoe het bedrag van de rendementsgrondslag voor zover deze meer bedraagt dan € 31.340 vast in een voor bezwaar vatbare beschikking die wordt opgenomen op uw aanslag inkomstenbelasting. Daarvoor is nodig dat de aangifteplicht voor de inkomstenbelasting en premieheffing volksverzekeringen wordt uitgebreid naar mensen die een rendementsgrondslag hebben van meer dan € 31.340.

Lager verzamelinkomen – meer/hogere toeslagen

Hoewel de verhoging van de vrijstelling in box 3 ook tot een lager verzamelinkomen leidt en daarmee doorwerkt in een aantal inkomensafhankelijke regelingen (zoals de kinderopvangtoeslag), zijn geen maatregelen getroffen om dit effect te voorkomen.

Geen overdrachtsbelasting voor starters

Het kabinet stelt voor om starters op de woningmarkt vanaf 1 januari 2021 vrij te stellen van overdrachtsbelasting (OVB). Hieraan zijn wel voorwaarden verbonden. De starters moeten 18 jaar of ouder zijn en jonger dan 35 jaar, de woning moet als hoofdverblijf worden gebruikt en de vrijstelling moet nog niet eerder zijn benut. Voor doorstromers op de woningmarkt blijft het OVB-tarief 2%. Voor andere kopers van woningen wordt het OVB-tarief per 1 januari 2021 verhoogd van 2% naar 8%. Dit tarief geldt vanaf 1 januari 2021 voor:

  • de verkrijging van niet-woningen, zoals bedrijfspanden;
  • woningen die niet of slechts tijdelijk worden gebruikt als hoofdverblijf, zoals vakantiewoningen of een woning die ouders kopen voor hun kind.

Tot deze categorie behoren ook de verkrijgingen van woningen door niet-natuurlijke personen, zoals rechtspersonen, waaronder woningcorporaties.

Uitbreiding overgangsregeling landgoederen

Bent u eigenaar van een landgoed, dan kunt u onder voorwaarden gebruikmaken van fiscale faciliteiten, zoals vrijstellingen voor de overdrachtsbelasting en de schenk- en erfbelasting. Uw landgoed wordt dan gerangschikt als Natuurschoonwet-landgoed (NSW-landgoed). Maakt u al gebruik van deze faciliteit, dan is het volgende voor u van belang. Vanaf 2021 wijzigen de rangschikkingscriteria, waardoor uw landgoed dan mogelijk niet meer voldoet aan de instandhoudingseis. Zonder nadere regelgeving zou dit betekenen dat u dan direct de Natuurschoonwetfaciliteit niet meer kunt toepassen en u dus alsnog schenk-, erf- en overdrachtsbelasting moet betalen. Dat vindt het kabinet te abrupt, dus wordt voorgesteld om  de bestaande overgangsregeling uit te breiden naar situaties waarin per 2021 niet meer aan de instandhoudingseis wordt voldaan. Daardoor blijven de fiscale gevolgen (alsnog invordering van schenk-, erf- en overdrachtsbelasting) buiten toepassing.

Let op

Vanaf 1 januari 2021 kunnen ook in het buitenland gelegen onroerende zaken als NSW-landgoed kwalificeren als de onroerende zaak een element vormt van het Nederlands cultureel erfgoed.

Aanscherping BPM-regels

De tarieven en de schijfgrenzen voor de BPM worden tussen 2021 en 2025 verder aangescherpt. Daarnaast wordt het heffingsmoment van de BPM vervroegd van het moment van inschrijving én tenaamstelling van de personen- of bestelauto of het motorrijwiel in het kentekenregister naar uitsluitend het moment van de inschrijving in het kentekenregister. De ingangsdatum van deze maatregel wordt later bekendgemaakt.

Langer lage energiebelasting laadpaal

Het tarief van de energiebelasting voor elektriciteit die wordt gebruikt voor een openbare laadpaal van een elektrische auto is tijdelijk verlaagd. Deze verlaging zou op 1 januari 2021 eindigen. Maar het kabinet stelt voor om de verlaging langer voort te zetten tot en met 2022.

 

In dit bericht is de stand van zaken in wet- en regelgeving verwerkt tot 17 september 2020. Hoewel ten aanzien van de inhoud de uiterste zorg is nagestreefd, kan niet volledig worden ingestaan voor eventuele (druk)fouten en onvolledigheden. De redactie, de uitgever en de verspreider sluiten bij deze de aansprakelijkheid hiervoor uit. Voor een toelichting kunt u altijd contact met ons opnemen.