Nieuws

Geen versoepeling urencriterium over laatste kwartaal 2020

De versoepeling van het urencriterium voor ondernemers gaat niet ook met terugwerkende kracht nog gelden voor het laatste kwartaal van vorig jaar, meldt staatssecretaris Vijlbrief (Financiën) aan de Tweede Kamer.

Hij antwoordt op Kamervragen van Steven Van Weyenberg (D66). Die had in februari vragen gesteld over de versoepeling van het urencriterium. Hij wilde nog eens horen wat de versoepeling van het urencriterium in 2020 als fiscale coronasteunmaatregel ook alweer inhield. Voor de periode van 1 maart tot 1 oktober vorig jaar werd het aantal uren per week standaard gesteld op minimaal 24. Van Weyenberg vond het vreemd dat de versoepeling niet in het laatste kwartaal gold en wilde dat de bewindsman dat alsnog toestond.

Terugwerkende kracht niet gewenst

Maar daar gaat partijgenoot Vijlbrief niet in mee: ‘Door de versoepeling in 2020 tevens van toepassing te laten zijn in het laatste kwartaal van 2020, zou de versoepeling tot gevolg hebben dat ook ondernemers aan het urencriterium zullen gaan voldoen, die daar in andere jaren niet aan hebben voldaan. Immers, zo zou bijvoorbeeld een ondernemer aan het urencriterium voldoen wanneer hij in januari en februari 2020 circa 170 uren aan zijn onderneming heeft besteed, maar overigens normaliter niet op jaarbasis 1225 uur aan zijn onderneming besteedt. Ik acht het derhalve niet gewenst de versoepeling met terugwerkende kracht ook van toepassing te laten zijn op het laatste kwartaal van 2020.’ De versoepeling van het urencriterium voor de eerste helft van 2021 heeft dezelfde achtergrond als de eerdere versoepeling vorig jaar.

Vijlbrief geeft aan dat er geen inzicht is in hoeveel ondernemers, die onder normale omstandigheden in 2020 aan het urencriterium zouden voldoen, van een uitbreiding van een versoepeling naar het laatste kwartaal van 2020 zouden hebben geprofiteerd.

Advocaat Generaal: box-3-heffing in 2016 en 2017 in strijd met discriminatieverbod

Een AOW-gerechtigde ontvangt in 2016 en 2017 respectievelijk € 1.499 en € 667 rente op haar spaarrekening. De box-3-heffing komt in 2016 uit op een bedrag dichtbij de 100% van haar inkomsten uit vermogen. In 2017 gaat de heffing daar zelfs ver overheen, waardoor zij inteert op haar vermogen. Zij vindt dat daardoor haar eigendomsrecht is geschonden en dat de box-3-heffing in strijd is met het discriminatieverbod. Advocaat-Generaal Wattel concludeert dat de box-3-heffing in 2016 en 2017 op stelselniveau inderdaad onverenigbaar is met het discriminatieverbod. Het is echter aan de wetgever om dit op te heffen.

De A-G stelt vast dat sinds 2017 alle box-3-plichtigen worden belast alsof hun risico, vermogenssamenstelling én rendement gelijk zijn aan het gemiddelde risico, vermogenssamenstelling en rendement. Dit impliceert volgens de A-G onontkoombaar dat het de bedoeling is om box-3-plichtingen met een lager dan het gemiddelde rendement (ondergemiddelden) te laten betalen voor box-3-plichtingen met een hoger dan het gemiddelde rendement (bovengemiddelden). Zou iedere box-3-plichtige dicht bij dit gemiddelde rendement zitten, dan is dit misschien verdedigbaar. Maar bij grote verschillen in de rendementen, heeft de wetgever geen legitiem doel, aldus de A-G. Het doel en het effect van dit stelsel is dan willekeurige, vergaande discriminatie. Bovendien wordt er willekeurig vergaand geprivilegieerd om de ondergemiddelden de belasting te laten opbrengen die de bovengemiddelden te weinig betalen.

De A-G onderbouwt met cijfermateriaal dat de verschillen in de rendementen sinds de kredietcrisis groot zijn. Door deze grote verschillen met het gemiddelde rendement, kan dat gemiddelde rendement niet als uitgangspunt worden genomen voor het belasten van het individuele rendement van belastingplichtigen. Onder deze omstandigheden leidt het box-3-stelsel in 2017 tot een ‘stelselmatige ontkenning van het discriminatieverbod’, aldus de A-G. Feitelijk geldt hetzelfde voor 2016.

 Wetgever aan zet

De A-G vindt echter dat het niet aan de rechter is om een nieuw stelsel te bedenken. De wetgever is eerst aan zet om de strijdigheid met het discriminatieverbod weg te nemen. Wel geeft de A-G aan dat als de wetgever dit niet doet, de rechter op enig moment kan beslissen om belastingplichtigen de mogelijkheid te bieden om tegenbewijs te leveren, zodat zij naar hun werkelijke rendement belast kunnen worden in plaats van naar een fictief wettelijk rendement.

De bijtelling van je auto na 60 maanden in 2021

De bijtelling die je betaalt voor het privégebruik van je auto van de zaak is 60 maanden geldig. Maar wat gebeurt er na deze vijf jaar met de bijtelling? Wat wordt de nieuwe bijtelling voor deze auto? Met name voor hybride en volledig elektrische modellen is dat een interessante vraag.
De auto die voordelig was in de bijtelling, kan nu een bijtelling van 22% of 25% krijgen.

We leggen het uit aan de hand van twee voorbeelden. Het bijtellingstarief van 22% geldt voor alle auto’s vanaf 2017.

Plug-in Hybride
Als de auto CO2-uitstoot heeft, maakt de Belastingdienst geen onderscheid in hoeveelheid CO2-uitstoot. Alle auto’s met uitstoot verliezen na 60 maanden het volledige bijtellingsvoordeel dat je destijds had. Berijders betalen na 60 maanden het standaardtarief uit het jaar waarop de auto op kenteken is gezet. Voor auto’s uit 2015 bedraagt de bijtelling 25% over de catalogusprijs.

Stel je rijdt een Mitsubishi Outlander PHEV uit 2016 met een cataloguswaarde van € 48.990,-. Deze had 7% bijtelling en je betaalde, met een belastingschijf van 49,5% een maandelijkse netto bijtelling van € 141,46. In 2021 wordt dit:

  • € 48.990,- x 25% = € 12.247,50
  • € 12.247,50 : 12 maanden = € 1.020,63 bruto bijtelling per maand
  • € 1.020,63 x 49,5% = € 505,21 netto bijtelling per maand

Volledige Elektrische auto
Dit type auto heeft nog wel een bijtellingsvoordeel, namelijk 10% op het destijds geldende standaardtarief tot € 40.000,- en een tarief van 25% voor het restbedrag. Dit betekent dat berijders van EV’s waarbij de 60 maanden vaste periode afloopt in 2021, een bijtellingspercentage van 15% gaan betalen over de eerste € 40.000,- van de cataloguswaarde. Over het overige deel betaal je het standaard percentage van 25%.

We nemen een Tesla Model S (85D) uit 2016 met een catalogus prijs van € 96.000,-. Er van uitgaande dat de bruto bijtelling volledig valt in de hoogste belastingschrijf van 49.5% was de netto maandelijkse bijtelling € 158,40. In 2021 wordt de bijtelling van de zelfde auto:

  • 15% (10% korting op 25%) over € 40.000,- = € 6.000,-
  • Plus 25% over € 56.000,- = € 14.000,-
  • U betaalt met ingang van 1 april 2021 € 20.000,- bruto per jaar of te wel € 1666,67 bruto per maand.
  • € 1666,67 x 49,5% = € 825,- netto bijtelling per maand

Het verhaal is duidelijk: een auto met bijtellingsvoordeel is na 60 maanden een stuk minder aantrekkelijk dan daarvoor. Het bijtellingsvoordeel is al opgebruikt in deze eerste vijf jaar, na deze 60 maanden geldt het normale bijtellingstarief. Het bijtellingsvoordeel is een stimulering om minder CO2 uit te stoten, vanaf 2026 vervalt dit voordeel voor iedereen0

Bron: Vereniging Zakelijke Rijders

Bestaande vaste reiskostenvergoedingen tot 1 juli 2021 onbelast

Werkgevers kunnen in ieder geval tot 1 juli 2021 bestaande vaste reiskostenvergoedingen onbelast vergoeden. Een voorwaarde is dat het om vaste vergoedingen gaat die al voor 13 maart 2020 door de werkgever werden toegekend.

Dat schrijft staatssecretaris Vijlbrief van Financiën -Fiscaliteit en Belastingdienst in een brief aan de Tweede Kamer.

Het kabinet onderzoekt momenteel de mogelijkheden van een aanvullende regeling waarbinnen de werkgever onbelast ook thuiswerkkosten kan vergoeden waarvoor nu nog geen gerichte vrijstelling geldt.

Het is heel goed mogelijk dat thuiswerken in de toekomst meer dan voorheen gemeengoed zal worden. Het kabinet onderzoekt daarom momenteel de mogelijkheden van een aanvullende regeling waarbinnen het voor de werkgever mogelijk wordt om onbelast ook thuiswerkkosten te vergoeden waarvoor nu nog geen gerichte vrijstelling geldt. Deze regeling zou een aanvulling zijn op de reeds bestaande mogelijkheden om specifieke thuiswerkkosten, zijnde arbovoorzieningen en ICT-middelen, onbelast te vergoeden.

Deze aanvullende regeling zal naar verwachting niet voor het einde van 2021 kunnen worden ingevoerd. Voor het jaar 2021 is de vrije ruimte (werkkostenregeling) tijdelijk verruimd. Werkgevers kunnen deze (verruiming van de) vrije ruimte ook benutten om thuiswerkkosten onbelast te vergoeden.

UBO-register blijft voorlopig, maar rechter ziet aanleiding voor twijfel over rechtsgeldigheid

Het kortgeding tegen de Staat waarmee Privacy First het begin dit jaar ingevoerde UBO-register per direct buiten werking wilde laten stellen is niet succesvol. Toch zal de belangenorganisatie zich gesterkt voelen door de uitspraak. De voorzieningenrechter spreekt namelijk uit dat er aanleiding bestaat voor twijfel over de rechtsgeldigheid van het uit de vijfde anti-witwasrichtlijn voortvloeiende verplicht voorgeschreven (deels) openbare karakter van het UBO-register.

De rechter sluit niet uit dat het Europees Hof van Justitie (HvJEU) nog tot de conclusie zal komen dat het (deels) openbare karakter van het UBO-register zich in het licht van de doelstelling van het UBO-register niet verhoudt met het door de Europese wetgever te respecteren evenredigheidsbeginsel. De in het kortgeding gevorderde onmiddellijke buitenwerkingstelling van het UBO-register zou echter strijdig zijn met de vijfde anti-witwasrichtlijn. Daarom moet nu eerst een uitspraak van het HvJEU worden afgewacht. De advocaat van Privacy First, Otto Volgenant van Boekx Advocaten, zegt in een reactie op de uitspraak te verwachten dat de Europese rechter een streep door het UBO-register zet.

Uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2021:2457

Privacy First beoogde met het kortgeding (voorlopige) buitenwerkingstelling van twee elementen van de Nederlandse UBO-wetgeving te bewerkstelligen, te weten de in de Handelsregisterwet neergelegde verplichting tot het registreren van persoonsgegevens van UBO’s in het UBO-register en de eveneens in de Handelsregisterwet geregelde openbare toegankelijkheid van een deel van deze gegevens (de zogenoemde algemene gegevens).

Buitenwerkingstelling UBO-register strijdig met anti-witwasrichtlijn

De voorzieningenrechter is het echter met de Staat eens dat toewijzing daarvan ertoe leid dat de Staat niet langer voldoet aan de uit hoofde van artikel 30 van de vijfde anti-witwasrichtlijn (AMLD5) op de Staat rustende verplichting tot het inrichten van een nationaal openbaar UBO-register. Met de Staat is de voorzieningenrechter van oordeel dat zolang AMLD5 onverkort van kracht is, de Staat niet in een positie gebracht kan worden waarin er evident in strijd met die richtlijn wordt gehandeld.

Oordeel rechtmatigheid Europese richtlijn aan HvJEU

Zoals Privacy First zelf ook erkent, is het oordeel over de rechtmatigheid van een Europese richtlijn voorbehouden aan het HvJEU. Niet ter discussie staat dat het HvJEU zich tot op heden niet over de rechtmatigheid van het door AMLD4 en AMLD5 voorgeschreven openbare UBO-register heeft uitgesproken. Bij die stand van zaken is er voor de voorzieningenrechter in kort geding geen ruimte voor een toets van de rechtmatigheid van de door Privacy First ter discussie gestelde onderdelen van de Nederlandse implementatiewetgeving, die immers een directe vertaling vormen van dwingend voorgeschreven bepalingen uit AMLD4 en AMLD5. Met de door Privacy First beoogde toets van onderdelen van de Handelsregisterwet op onmiskenbare onverbindendheid, verlangt Privacy First immers (indirect) tevens een oordeel over de rechtmatigheid van AMLD4 en AMLD5, voor zover het de verplichting betreft tot het inrichten van een nationaal openbaar UBO-register. Privacy First loopt daarmee in feite op de muziek vooruit, vindt de voorzieningenrechter.

Prejudiciële vragen: aanleiding tot twijfel rechtsgeldigheid?

Vervolgens buigt de rechter zich over de vordering van Privacy First tot het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJEU over de verenigbaarheid van AMLD4 en AMLD5 met de artikelen 7, 8, 16 en 52 lid 1 van het Handvest, artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en de AVG. Tot het stellen van prejudiciële vragen kan in dit geval door de voorzieningenrechter worden overgegaan bij twijfel over de rechtsgeldigheid van (onderdelen van) de aan de Nederlandse UBO-wetgeving ten grondslag liggende AMLD4 en AMLD5. Beoordeeld moet dus worden of er ten aanzien van de uit deze richtlijnen voortvloeiende verplichting tot het inrichten van een (deels) openbaar UBO-register aanleiding bestaat voor dergelijke twijfel.

Inderdaad aanleiding tot twijfel rechtsgeldigheid

De voorzieningenrechter beantwoordt die vraag voor wat betreft het door AMLD5 verplicht voorgeschreven (deels) openbare karakter van het UBO-register bevestigend. Daarbij kent de voorzieningenrechter een groot gewicht toe aan een kritisch advies van de European Data Protection Supervisor (EDPS) van 18 maart 2017 (Publicatieblad van de Europese Unie, 2017/ C 85/04) met betrekking tot de destijds voorgenomen wijzigingen van AMLD4.
Op voorhand valt volgens de voorzieningenrechter niet uit te sluiten dat het HvJEU mede aan hand van dit advies van de EDPS tot de conclusie zal komen dat het (deels) openbare karakter van het UBO-register zich in het licht van de doelstelling van het UBO-register niet verhoudt met het door de Europese wetgever te respecteren evenredigheidsbeginsel. Dit brengt met zich dat hierover in beginsel door de Nederlandse rechter prejudiciële vragen aan het HvJEU kunnen worden gesteld.

Er zijn al prejudiciële vragen gesteld

De voorzieningenrechter gaat echter niet tot het stellen van vragen over omdat het Tribunal d’arrondissement in Luxemburg al op 13 november 2020 vragen op dit punt aan het HvJEU heeft gesteld. Deze vragen komen grotendeels overeen met de vragen die Privacy First in haar dagvaarding ten aanzien van het (deels) openbare karakter van het UBO-register heeft geformuleerd. Het wachten is nu dus op de beantwoording van die Luxemburgse vragen.

Reactie Privacy First

De advocaat van Privacy First, Otto Volgenant van Boekx Advocaten: ‘Door het UBO-register komen privacygevoelige gegevens van miljoenen mensen op straat te liggen. Van alle kanten wordt betwijfeld of dat wel een effectief middel is in de strijd tegen witwassen en terrorisme. Het is met een kanon op een mug schieten. De hoogste Europese rechter, het Hof van Justitie van de EU, zal hier uiteindelijk over oordelen. Ik verwacht dat die een streep door het UBO-register zet.’

Kabinet breidt coronasteun ondernemers verder uit

Het kabinet heeft op 12 maart jl. de verwachte uitbreiding van een aantal steunmaatregelen aangekondigd. Daarbij gaat het vooral om een hogere tegemoetkoming via de TVL en een uitbreiding van de TONK. Lees er hier alles over:

Ondernemers die hun zaak door de coronamaatregelen (deels) moesten sluiten en hierdoor minder omzet draaien, krijgen in het tweede kwartaal van 2021 een hogere tegemoetkoming voor hun vaste lasten (TVL). Op verzoek van de Tweede Kamer heeft het kabinet besloten het subsidiepercentage voor de TVL te verhogen naar 100%. Ook breidt het kabinet de Tijdelijke Ondersteuning Noodzakelijke Kosten (TONK) uit met nog eens 130 miljoen euro. Hiermee biedt het kabinet extra steun aan huishoudens die door de coronacrisis te maken hebben met een aanzienlijk inkomensverlies en daardoor hun noodzakelijke (woon)kosten niet meer kunnen betalen.

Steeds meer ondernemers zijn door de lange duur van de crisis door hun reserves heen en hebben geld nodig om de vaste lasten te betalen en nieuwe voorraden in te kunnen kopen. Ook dreigt een groep mensen tussen de wal en het schip te raken vanwege fors inkomensverlies door de coronamaatregelen. Daarom heeft het kabinet het steun- en herstelpakket voor banen en economie verder uitgebreid.

Meer Tegemoetkoming Vaste Lasten

Het subsidiepercentage van de TVL wordt op voorstel van de Tweede Kamer in het tweede kwartaal van 2021 verhoogd van 85% naar 100%. De hoogte van de tegemoetkoming is naast het subsidiepercentage afhankelijk van het omzetverlies van een bedrijf en het vastelastenpercentage van de sector. Ondernemers kunnen gebruikmaken van de TVL als zij meer dan 30% omzetverlies lijden. De TVL-regeling voor het tweede kwartaal gaat naar verwachting vanaf half mei open. Voor de verhoging trekt het kabinet 450 miljoen euro uit.

Forse verhoging financiële steun TONK

Als sprake is van aanzienlijk inkomensverlies door de coronacrisis en bestaande regelingen uit het steun- en herstelpakket onvoldoende zijn om de vaste lasten te kunnen betalen, kunnen huishoudens bij hun gemeente terecht voor ondersteuning via de TONK. In totaal was voor deze regeling 130 miljoen euro uitgetrokken voor het eerste half jaar van 2021. Door de aanhoudende coronacrisis en verlengde lockdown heeft het kabinet nu besloten dit bedrag te verhogen naar 260 miljoen euro. Het is de wens van het kabinet en de Tweede Kamer dat de TONK huishoudens met financiële problemen substantieel kan helpen in het dragen van hun vaste (woon)lasten en zo een stapeling van verdere problemen helpt te voorkomen.

De TONK is sinds maart aan te vragen of kan binnenkort worden aangevraagd. Dat verschilt per gemeente. Ook maken gemeenten verschillende keuzes in het bepalen van de doelgroep en de hoogte van de vergoeding, omdat zij het beste kunnen inschatten wat er specifiek in hun gemeente nodig is. Het kabinet heeft gemeenten opgeroepen ruimhartig te zijn in het toekennen van de TONK. Aanvragers kunnen dan ook bij de eigen gemeente terecht voor nadere informatie. Ongeacht de startdatum in de eigen gemeente kan de TONK met terugwerkende kracht tot 1 januari 2021 worden aangevraagd.

Overige maatregelen

Het kabinet trekt daarnaast 150 miljoen euro uit voor het mobiliteitscluster in de maakindustrie. Hiermee moeten investeringen in onderzoek en ontwikkeling in de automotive, luchtvaart en maritieme sectoren op peil blijven. De regeling is gericht op (maak)bedrijven, waaronder veel mkb. Via publiek-private samenwerking kunnen deze bedrijven kennisinstellingen betrekken bij de onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten.

Met het grootwinkelbedrijf is het kabinet in gesprek over de problematiek van de grotere detailhandelsketens en mogelijke oplossingsrichtingen. Deze gesprekken worden voortgezet.

‘Partner kan geen belastingaanslag krijgen over TOZO-uitkering van ander’

“De hoogte van een uitkering kan worden beïnvloed door het inkomen van de partner, maar een partner moet geen belastingaanslag kunnen krijgen over de uitkering van de ander.” Dat zegt fiscaal directeur Sylvester Schenk van het Register Belastingadviseurs (RB) tegen de NOS. De nieuwdienst vroeg hem hoe het kan dat partners van zelfstandigen die een TOZO-uitkering kregen, extra belasting moeten betalen.

Het is een onaangename verrassing voor veel partners van zzp’ers die aan het begin van de coronacrisis TOZO-steun van de overheid hebben gekregen: zij moeten vanwege deze nooduitkering vaak honderden euro’s extra belasting betalen. Volgens Schenk kan dat dus niet zomaar. Het RB gaat klachten verzamelen en hierover in gesprek met de overheid.

Bij de Belastingdienst wordt de helft van de TOZO-uitkering als bijstand opgeteld bij het inkomen van de partner. De partner moet daar loonheffing over betalen en kan geen loonheffingskorting meer krijgen omdat ze die al gebruiken bij hun werkgever. Volgens het ministerie van Sociale Zaken is vanaf het begin duidelijk gecommuniceerd dat de TOZO-regeling gebaseerd is op de algemene bijstand. Dat is een gezinsuitkering, dus heeft dat gevolgen voor de inkomstenbelasting van je partner, zegt een woordvoerder tegen de NOS.

Nieuwe subsidieregeling voor emissieloze bedrijfsauto

Duurzaamheid speelt een steeds grotere rol binnen onze maatschappij. De overheid probeert dit te stimuleren middels tal van subsidieregelingen. Voor de aanschaf of financiële lease van emissieloze bedrijfsauto’s start op 15 maart 2021 een nieuwe subsidieregeling. Als ondernemer kunt u hierdoor aanspraak maken op 10% subsidie op de waarde van de auto.

Uiteraard kent deze subsidieregeling de nodige voorwaarden. Eén daarvan is dat de aankoop nog niet definitief vast mag staan. De koopovereenkomst mag ten tijde van de aanvraag van de subsidie dus nog niet onherroepelijk zijn. Verder is er voor 2021 een subsidieplafond van € 22 miljoen. De verwachting is dat veel ondernemers hiervan gebruik willen maken. Wij adviseren u dan ook op korte termijn een aanvraag in te dienen als u hiervan wilt profiteren.

Neemt u gerust contact met ons op als u hierover vragen heeft. Wij helpen u graag. U bereikt ons via [email protected] of 036-5472019.

Campagne waarschuwt ondernemers voor fout geld in coronatijd

Met de nieuwe campagne ‘Blijf Alert’ worden ondernemers gewaarschuwd voor criminelen die met fout geld willen investeren in hun bedrijf. In een tijd waarin veel ondernemers het financieel zwaar hebben is de kwetsbaarheid voor witwassen groter, is de gedachte.

Het doel van de campagne is ondernemers alert te maken op signalen die wijzen op pogingen van criminele inmenging, zodat ze malafide investeerders sneller herkennen. Ook wordt gewezen op ondersteuning van de overheid. De campagne start vandaag en is een gezamenlijk initiatief van het ministerie van Justitie en Veiligheid, diverse brancheorganisaties, VNO-NCW/MKB-NL en het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV).

Malafide investeerders
,,Veel ondernemers verkeren nu in zwaar weer door de coronacrisis. Het risico ligt op de loer dat malafide investeerders daarvan misbruik willen maken en proberen hun crimineel verdiende geld wit te wassen. Als we alert zijn op fout geld, kunnen we voorkomen dat in deze moeilijke tijd ondermijnende criminaliteit met zwart geld een voet tussen de deur krijgt bij onze bonafide bedrijven’’, aldus minister Grapperhaus van Justitie en Veiligheid.

Met de campagne worden ondernemers bewust gemaakt van de risico’s van de zogenaamde ‘hulp’ van criminelen en roept hen op alert te blijven op dubieuze aanbiedingen. Denk bijvoorbeeld aan een investeerder die zich aanbiedt en niet terug te vinden is op internet. Een plotseling overnamebod van een onbekende. Of een investeerder die torenhoge rentes vraagt.

Instrumenten voor ondernemers
Een malafide investeerder is soms niet direct te herkennen voor ondernemers. Daarom biedt de campagne instrumenten om investeerders met foute intenties sneller in het vizier te hebben. Ook roept de campagne op om verdachte situaties te melden en in gesprek te gaan over mogelijke acties. Hierbij wordt verwezen naar politie of meldt misdaad anoniem. Verder wordt gewezen op het steun- en herstelpakket met tijdelijke financiële regelingen van de rijksoverheid en organisaties die daarbij kunnen adviseren zoals de Kamer van Koophandel, de brancheorganisaties en VNO-NCW/MKB-NL.

De campagne bestaat onder meer uit een video, een animatie, een quiz om malafide investeerders beter te herkennen en verschillende advertenties voor Facebook, LinkedIn, Google en Instagram. Meer informatie over de campagne is te vinden op  www.hetccv.nl/blijfalert

Btw-aftrek voor actieve holding met deelneming

Houdt uw holding zich bezig met het verwerven, houden van en verkoop van deelnemingen? In bepaalde gevallen komt de btw op de kosten hiervan voor aftrek in aanmerking. Dat kan echter alleen als de holding jegens de deelneming belaste prestaties verricht.

Een holding heeft recht op aftrek van btw, als zij een deelneming verwerft aan wie ze een of meer belaste prestaties verricht. Het betreft de btw op de verwervingskosten, zoals de kosten van juridische adviseurs. Indien meerdere deelnemingen worden verworven, terwijl niet aan alle deelnemingen belaste prestaties worden verricht, komt de btw slechts ten dele (pro rata) in aftrek.

Het Europese Hof oordeelde dat in dergelijke gevallen de belaste verhuur van een gebouw aan de verworven deelneming, ook moet worden gezien als een btw-belaste prestatie. Om die reden bestond volgens het Hof recht op aftrek van de btw op de verwervingskosten van de holding. Uit eerdere rechtspraak van het Europese Hof volgt dat het bij belaste prestaties moet gaan om handelingen, zoals het verrichten van administratieve, boekhoudkundige, financiële, commerciële, IT- en technische diensten. Volgens het Hof gaat het hier om voorbeelden die geen limitatieve opsomming vormen.

Uit een uitspraak van het Europese Hof eind 2020volgt dat een holding de voorbelasting mag aftrekken die drukt op afgenomen adviesdiensten voor een marktonderzoek met het oog op de verwerving van aandelen van een andere vennootschap, ondanks dat deze verwerving uiteindelijk niet heeft plaatsgevonden.

In diezelfde casus had de holding provisies betaald aan een kredietinstelling voor het regelen en tot stand brengen van een obligatielening voor investeringen in een bepaalde sector. Uiteindelijk vonden die investeringen niet plaats en werd het opgehaalde kapitaal volledig ter beschikking gesteld van de moedermaatschappij in de vorm van een lening. Het Hof oordeelde dat onder die omstandigheden de betaalde btw over de provisie niet voor aftrek in aanmerking komt bij de holding.

In een casus waarbij de aandelenoverdracht tot doel had om de opbrengst van de overdracht te gebruiken voor het aflossen van de schulden van het concern aan de bank, oordeelde het Europese Hof dat geen aftrekrecht bestond. Het betrof de btw op kosten in het kader van een voorgenomen aandelenoverdracht door de moedermaatschappij. De moedermaatschappij verrichtte btw-belaste IT- en beheerdiensten aan één van de onderdelen van het concern. De bank was de nieuwe eigenaar van het concern geworden. Volgens het Hof vormt een dergelijke aandelenoverdracht geen handeling die bestaat in het verkrijgen van duurzame opbrengsten uit activiteiten die verder gaan dan de enkele verkoop van aandelen. Daarom valt deze overdracht niet binnen de werkingssfeer van de btw en bestaat geen aftrekrecht.

Neemt u gerust contact met ons op als u hierover vragen heeft. Wij helpen u graag. U bereikt ons via [email protected] of 036-547 2019.